#0002




De lange rij tafels stond al anderhalf uur gedekt. En de genodigden zouden pas over een half uur komen. Maar het was prettig dat alles op tijd op orde was, vond de oudste dochter. Ze herschikte nog wat bestek.
Haar oog viel op de vaas.
‘Geen gezicht,’ had Mientje Molen – van der Hucht nog beweerd. Niet dat iemand daar een boodschap aan had, want Mientje was niet snel tevreden te stellen. De blauwe vaas moest en zou daar komen te staan, met de roze-rode anjers erin.
‘Anjers, moeder,’ had de oudste dochter nog geprobeerd, terwijl ze wat losse plukken terugduwde in het stevige knotje in haar nek. ‘Net als bij prins Bernhard. Dat is toch koninklijk.’
‘We zijn niet koninklijk,’ protesteerde Mientje en daar moest je haar gelijk in geven. ‘En het blijft geen gezicht. Al hadden jullie de koningin zelf erin gezet,’ vervolgde Mientje nijdig. ‘Vader is ook al klein van stuk en dan die enorme vaas en ook de kleuren gaan niet goed samen.’
‘Maar het is toch feestelijk, al die kleuren!’ protesteerde de oudste dochter nog.
‘Mens, laat haar toch.’ Dat was vader. Brutus Molen. Al vijftig jaar stand gehouden tegen de verbitterde en venijnige toon van Mientje.
‘Het is toch allemaal al duur genoeg,’ reageerde de oudste dochter nu richting haar vader, dankbaar dat er met iemand te spreken viel. ‘Wat moeten we anders met de anjers.’
‘Dan had je ze niet aan moeten schaffen,’ zei Mientje nog. 
‘En dan die stapels stoelen in onze nek. En die dwaze graspollen op tafel geven alleen maar rommel.’
‘Graspollen?’ vroeg de oudste dochter, verwilderd een blik werpend op de tafel. Weer een streek van haar neefje? Je zou zo’n jong toch…
Brutus slofte weg.
Het was tijd om van onderwerp te veranderen en dat deed ze dan ook.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten